Verkocht

Jan Walravens / Gust Gils. Correspondentie 1952-1959.

15 brieven en een kaartje (handgeschreven en getypt, 24p.) van Jan Walravens aan Gust Gils, en 31 brieven (29 in doorslag en een tweetal in kladschrift met enkele tekeningetjes, 43p.) van Gils aan Walravens.

Onder meer over mogelijke opname van Gils’ gedichten in ‘Tijd en Mens’, zijn kandidatuur voor redacteur (!), zijn debuutbundel ‘Partituur voor vlinderbloemigen’, het begin van ‘Gard Sivik’ en perikelen rond ‘Waar is de eerste morgen’ (met ongezouten meningen).

Beschrijving

Sorry, this entry is only available in Dutch.

“Brussel, 9 December 1952/ Mijn beste Gust,/ weer hebben uw nieuwe gedichten ons getroffen/ en hoe langer hoe meer staat het voor ons vast, dat/ er in u een echt talent en een originele kracht zit. Vol-/ gende week komen wij samen en zullen dan, waarschijnlijk beslissen welke en hoeveel gedichten van u opgenomen/ worden in nummer 16 van het tijdschrift. Ik denk/ wel dat wij u ook zullen vragen om naar Brussel te/ komen om persoonlijk contact te nemen met Boon, Claus, Bontridder en de anderen.”

(Gils aan Walravens, Brasschaat 4 augustus 1954): “Het meest betreur ik/ wel dat T&M, door zich zo hardnekkig te sluiten voor literaire/ bijdragen van anderen dan de medewerkers, op verre na geen vol-/ ledig beeld meer geeft van wat de jongste Vlaamse poëzie op/ het ogenblik is./ Of beschouwen zij misschien reeds ieder, waarvan het ‘debuut’/ valt na de verschijning van T&M, als een naloper?”

(Gils aan Walravens, Brasschaat 2 september 1954): “gij zijt m.i. de man om ooit, ik bedoel daarmee/ binnen afzienbare tijd, een bloemlezing samen te stellen van/ de avant-garde Vlaamse poëzie, die à jour zou zijn, zich dus niet/ bepalen bij enkele (ik bedoel vijf) reeds min of meer gevestigde namen. Er is iets prachtigs te maken van zulke bloemlezing: zij/ zou treffend kunnen geïllustreerd worden met grafisch werk van/ jonge plastische kunstenaars”

(Walravens aan Gils, Brussel 15 Maart 1955): “In mijn houding tegenover de jongeren ben ik gerust: van Piet/ De Groof tot Simon Vanloo heb ik de meesten op het spoor gebracht/ waar ze nu staan en de besten onder hen: Willy Roggeman, uzelf,/ Rudo Durant, Paul Snoek geholpen om te publiceren in tijdschriften/ of uit te geven.”

(Gils aan Walravens, Brasschaat 27.III.1955): “het verschijnen van het eerste nr van het tijdschrift ‘gard-sivik’/ (redaktie tone brulin, hugues c. pernath, paul snoek, simon vanloo/ en uw dienaar) is nu nog een kwestie van weken. ziet ge geen kans/ daarover iets te schrijven in het laatste nieuws?”

(Gils aan Walravens, Brasschaat 5 juni 1955): “Zag Simon Vinkenoog te Parijs, die mij verraste door zijn lengte./ Overigens een ‘erg aardige jongen’, zoals Kees Buddingh’ zegt.”

(Gils aan Walravens, Brasschaat 2 oktober 55): “eerst en vooral die manteau-bloemlezing die gaat uitkomen. het is/ begrijpelijk dat ge van de ‘jongsten’ u hebt beperkt tot die figu-/ ren die reeds het meest geprononceerd zijn. het heeft mij met ont-/ zetting geslagen dat er nog, niettegenstaande dit strenge kriterium,/ een ook en vooral op poëtisch gebied kennelijke kluchtzanger als/ hugo raes bij is: er zijn misschien 10 of meer nu terzijde gelaten/ jongeren die wel met meer recht in aanmerking zouden komen. soit,/ het is nog mogelijk dat gij iets ziet in het werk van raes waar ik/ en een aantal anderen dat niet doen. maar bedroevender vind ik het/ dat gij een van de sterkste en m.i. de meest oorspronkelijke van/ de jongere dichters hebt kunnen over het hoofd zien: hugues c./ pernath (hoewel ik er, tenzij ik me sterk vergis, nog speciaal uw/ aandacht op gevestigd heb).”

“en dan, wat mij ook dwars zit, is dat ge mij in het idee laat dat/ mijn ‘8 gezelschapsspelletjes’ in de e.k. schrijversalmanak zullen verschijnen, en ik dan, bij monde van een 3e, moet te weten komen/ dat dit niet zal geschieden omdat de heer schierbeek er geen zin/ in heeft.”

“u laten gebruiken als een hulp-in-het-huishouden/ goed genoeg om vlaamse kopij bij elkaar te zoeken; u voor onmondig laten behandelen, immers niet in staat een betrouwbaar advies over/ een inzending uit te brengen; kortom goedvinden, dat uw redakteur-/ schap-voor-vlaanderen van de almanak er een is op papier, en niets meer. en waarom ik u dit verwijt? dat gijzelf u laat vernederen is uw zaak natuurlijk, hoewel in dit geval eigenlijk ook wel de zaak/ van een aantal vlaamse schrijvers. maar het ergste is dat gij hier-/ door weer stof geeft aan die verdomde verwaandheid van de hollanders,/ die al zo gemakkelijk denken dat zij
allerlei in pacht hebben. zie/ podium, waarin hollandse 3e-rangsfiguren als köster regelmatig pa-/ raderen, maar waar men als vlaming niet veel minder dan boon mag/ heten om een kans te krijgen. maar ja, wij ‘zijn pas sinds 25 jaar/ aan de barbarij ontrukt’, deelde men mij eens mee te a’dam. door wie, van ostaijen of de n.ndl. kultuur, werd er niet bijverteld.”

(Walravens aan Gils, Brussel 10 Oktober 1955): “Het mooiste komt met het staartje van uw brief. Daar gaat het over kan-/ keren bij derden over dingen die men niet kan verteren. Maar mag ik u dan/ vragen waarom gij mij te Antwerpen niet dadelijk gevraagd hebt in welke/ mate de jongeren in het spoor van ‘Tijd en Mens’ liepen? Toen hebt/ ge, noch in het openbaar noch aan de toonbank, de mond geopend over die/ zaak. Een maand later of nog meer vind ik uw verwijt in ‘Gard-Sivik’. Is/ dat wat anders dan ‘hipokrisie’ Gils? En wat soort vriend is dat van/ wie men zegt, dat hij uw vriend is ‘zonder dat woord met ironie te gebrui-/ ken’?/ Laat er het vriend in het vervolg maar af, Gils. Stel mij geen kon-/ krete vragen meer. Ik antwoord er toch niet meer op.”

(Walravens aan Gils, Anderlecht 4 januari 1956): “Op afstand gezien vind ik het wat spijtig dat wij ruzie/ gemaakt hebben. Ik zal die maand in een slechte bui geweest zijn. Nu/ vind ik het heel dom./ Laat ons dat potje dus maar dekken (of volledig doen verdwijnen!) en, als gij accoord zijt, weer de ouden worden. Haat-/ dragen gaat mij niet af.”

(Walravens aan Gils, Kraainem 27 juli 1959):
“Alleen Jos Vandeloo is een moeilijk probleem. Volgens mij mag men/ zijn verzen niet absoluut slecht noemen, maar iets ànders brengen ze niet. Voor/ iedere uitgave heeft men daarentegen zekere verplichtingen tegenover zijn/ uitgever. Nu heeft Mevrouw Manteau mij nooit opgelegd Jos Vandeloo mee te ne-/ men, en ik heb hem, ondanks zijn inzending, ook niet meegenomen in ‘Vijfde/ Kolom’. Maar het is wel mogelijk dat ik in de nieuwe uitgave van de ‘Eerste Mor-/ gen’ twee gedichten van hem zal nemen. Is dat zo erg voor de Robespierre’s/ van de experimentele poëzie?”

(Gils aan Walravens, Brasschaat 28 juli 59):
“wanneer je je/ afvraagt hoe er ‘nu al kan geroddeld worden’ over de samenstelling van/ je bloemlezing, mag je de bedrijvigheid niet vergeten van HET literaire/ roddelsentrum van Antwerpen, gelegen in een zekere boekhandel Manteau…”

Jan Walravens / Gust Gils. Correspondentie 1952-1959. Demian Antwerpen