Hugo Claus - De Eendenjacht - De Metsiers - Demian

Hugo Claus: De eendenjacht.

Het vroegst bekende werkschrift en eerste typoscript (1948) van Hugo Claus’ debuutroman ‘De eendenjacht’ die in januari 1950 onder de titel ‘De Metsiers’ werd bekroond met de Leo J. Krynprijs en begin 1951 voor het eerst als boek verscheen bij uitgeverij Manteau. 

Provenance: collectie Ivo Michiels.

‘Een nieuw geluid in de Vlaamse Literatuur. Een onderwerp dat hier nooit werd behandeld. In de atmosfeer van een incest-liefde tussen broer en zuster, en van een vrije liefde: het drama van de eenzamen, van de ontredderden op de Metsiers-hoeve. Een hevig, hartstochtelijk boek van een 19-jarige auteur.’

(Aankondiging van ‘De eendenjacht’ op de omslagwikkel van Dries Masure’s roman ‘Jan’, uitgeverij Unica, Oostende november 1948)

Hugo Claus schreef zijn debuutroman volgens eigen zeggen in vier weken tijd. Dries Masure, schrijver en man achter uitgeverij Unica in Oostende, zou hem de opdracht hebben gegeven een roman ‘naar Amerikaans model’ te schrijven en dat werd ‘De eendenjacht’. 

Door omstandigheden, wellicht van financiële aard, zou het boek echter nooit onder het Unica-imprint worden gepubliceerd. Het boek werd al wel herhaaldelijk aangekondigd en zelfs vroegtijdig lovend gerecenseerd. Deze uitvoerige pre-bespreking, compleet met een getekend zelfportret van Claus in de stijl van Jean Cocteau, verscheen eind 1948 in ‘Ons Verbond’, ondertekend door Claus’ vriend ‘Anatole Ghekiere’, en was in werkelijkheid door Claus zelf geschreven. 

‘De roman “De Eendenjacht” is een der sterkste werken uit de laatste jaren, en ik aarzel niet te noemen: van een tonaliteit, die wij bij ons nog niet hebben vernomen.’

(Anatole Ghekiere in ‘Ons Verbond’, november 1948)

In de correspondentie tussen Hugo Claus en Roger Raveel is te lezen dat Claus het handschrift van ‘De eendenjacht’ in het najaar van 1948 ter beoordeling naar Raveel stuurt. Er blijkt zelfs sprake van te zijn geweest dat Raveel de roman zou illustreren. In zijn begeleidend briefje vraagt Claus het handschrift na lezing zo snel mogelijk terug te sturen.

Zowel in de nalatenschap van Raveel als in die van Claus werd het eerste handschrift van ‘De eendenjacht’ niet teruggevonden. 

Aan het hier beschreven werkschrift / typoscript van ‘De eendenjacht’ is een brief uit 1961 aan Ivo Michiels toegevoegd, waarin Claus vermeldt dat het eerste handschrift verloren ging.

(Overigens noemt hij het overblijvend stuk, in deze brief, een manuscript).

“Cher Ami,/ Hierbij het gevraagde. Het ms./ van De Metsiers is eigenlijk het tweede, er was eerst een geschreven versie maar/ die is ergens zoek geraakt.” 

Samen met Harry Mulisch en Simon Vinkenoog vormden Hugo Claus en Ivo Michiels de redactie van het tijdschrift Randstad (1961-1969). Het is plausibel te veronderstellen dat Michiels tijdens een vroege redactiebijeenkomst bij Claus informeerde naar het manuscript van ‘De Metsiers’ en dat Claus het hem bij die gelegenheid beloofde. Het gele mapje waarin Michiels het werkschrift ontving, lijkt rond de tijd van de schenking te zijn voorzien van het opschrift ‘Hugo Claus/ De Metsiers / 1e getypte versie’. 

71 bladen van verschillend formaat, in mapje van latere datum met opschrift van de auteur.

De pagina’s zijn genummerd van 1 tot en met 73, inclusief pagina 60A en 60B. Er ontbreken drie pagina’s (43, 54 en 66).

Vroege versie, sterk afwijkend van het afgewerkte manuscript en de uiteindelijk gepubliceerde tekst, rijkelijk voorzien van aanpassingen en toevoegingen in handschrift. 

Deze werkversie biedt een fascinerende inzage in de ontwikkeling naar het eerste schone typoscript dat Claus later onder anderen naar zijn mentor Jan Walravens zou sturen. 

Op aanraden van Walravens zond de jonge Claus zijn roman in voor de Leo J. Krynprijs, en gaf hem daarbij pas de uiteindelijke titel ‘De Metsiers’.

Het typoscript is vervaardigd op twee verschillende schrijfmachines en op uiteenlopende soorten papier, waaronder origineel briefpapier van ‘Drukkerij Uitgeverij Carillon’ (de drukkerij van Claus’ vader). Op een van de bladen staat op de achterzijde een abstracte tekening in inkt.

Uit de correcties in de eerste hoofdstukken valt al meteen op te merken dat het wisselend vertelperspectief, dat zo typerend is voor de opbouw van De Metsiers, in de oorspronkelijk versie niet is toegepast. Ook opmerkelijk is dat Claus aanvankelijk de familienaam ‘Ghekiere’ gebruikt, en dat hij die in deze versie pas wijzigt in ‘Metsier’. 

De hoofdstukken en de indeling komen overeen met de eerste druk van het boek (Manteau 1951). Bij tekstvergelijking blijkt dat de roman nog behoorlijk is herschreven en de stijl werd aangescherpt om te voldoen aan Claus’ normen voor publicatie. 

Het is een wonderlijke ervaring de montage van Claus’ vroegste roman als het ware te kunnen volgen, en deels mee te maken hoe de jonge schrijver ingrijpt en vormt.

Tentoonstelling van 4 tot en met 7 april 2024.